Wat ik van mijn moeder meedraag

Je krijgt je mitochondriën alleen van je moeder.
Ik las het in een artikel over epigenetica en moest even stoppen met scrollen. Mijn koffie werd koud terwijl ik naar die zin staarde.
Natuurlijk! Natuurlijk draagt mijn lichaam iets van haar met zich mee.
Ik zag mezelf weer zitten, een jaar of twee geleden, op de grond met kussentjes. Mijn moeder voor me, ook al was ze toen al dood.
En ik voelde het. Dat aanpassen. Dat vooruitlopen op wat er zou kunnen gebeuren. Die voelsprieten uit naar m’n omgeving, op mijn hoede.
Mijn lijf wist het nog. Ook al had ik al zoveel doorvoeld, zoveel opstellingen gedaan, zoveel bewustzijn opgedaan. Het zat er nog steeds in.
Pas maar op, anders wordt papa boos. Dat zei ze. Niet één keer. Maar regelmatig. En ik leerde het. Niet doordat ze uitlegde hoe dat moest.
Mijn lichaam begreep het vanzelf.
Ik voelde precies hoe de vlag erbij hing bij anderen.
Liep vooruit op wat er zou kunnen gebeuren.
Probeerde gedoe te vermijden.
Paste me aan om de boosheid van een ander niet over me heen te krijgen. En niet de schuld van wat dan ook te krijgen.
Dat was haar manier van overleven. En het werd ook de mijne....
Ik weet nog dat ik een keer bij een vriendin zat. We zaten aan de koffie en ze vertelde iets over haar moeder. Iets kleins, iets alledaags. Maar ze zei het met zo'n warmte. Zo'n vanzelfsprekendheid. En ik voelde een brok in mijn keel. Ik had dat niet. Die warmte. Die vanzelfsprekendheid. Mijn moeder was er wel. Ze deed wat moest. Ze kookte, waste, zorgde. En was op haar manier heel liefdevol. Maar ergens was ze er ook niet. Niet echt. Niet op die laag waar een kind zijn moeder nodig heeft. Ik begreep het toen nog niet.
Ik dacht gewoon dat het zo hoorde. Dat moeders zo waren.
Pas later, in opstellingen, zag ik het. Dat zij haar eigen verdriet, haar eigen angst, haar eigen boosheid niet kon dragen. Dat ze die had weggestopt.
Diep weg. En daardoor was ze op bepaalde lagen niet beschikbaar voor mij.
In opstellingen wordt vaak gezegd dat een kind uit liefde voor de moeder gaat dragen. Daar geloof ik niet in. Een kind draagt uit eigen belang. Het is volledig afhankelijk van de moeder. Wanneer zij haar verdriet, angst of boosheid niet kan dragen, onderdrukt ze die. En dan voelt het kind dat. Het krijgt niet wat het nodig heeft. En wat doet het dan? Het gaat dragen wat de moeder zelf niet kan dragen. In de hoop dat zij daardoor heelt en alsnog beschikbaar komt. Als ik het voor jou draag, dan word jij weer heel en kan je mij geven wat ik nodig heb. Dat gebeurt niet bewust. Het is een overlevingsbeweging van een kind dat geen kant op kan.
Ik deed het omdat ik haar nodig had. ... Twee jaar geleden kreeg ik een opstelling begeleid door Stephan Hausner in Zuid- Duitsland. Wéér een opstelling. En ik voelde het. Die pijn. Die leegte. Die afwezigheid. Haar schaamte die ook van mij was geworden. En ik huilde. Dikke tranen.
Niet om haar te veroordelen om wat ze zelf niet kon. Maar om wat er niet was geweest.
Om die innerlijk afwezige moeder. En ergens in mij hoopte het kind blijkbaar nog steeds dat als ik haar pijn zou dragen, zij dan heel zou worden. Dat ze me dan zou kunnen geven wat ik nodig had. Maar ze kon het niet.
Ze was al dood. En zelfs toen ze nog leefde, kon ze het niet. ... Zo onmachtig voor haar en ook voor mij.
Ik laat de pijn bij jou, mama. Dat zei ik. Hardop. In die opstelling. En het voelde niet als bevrijding. Niet meteen. Het voelde als verraad. Alsof ik haar in de steek liet. Maar ik kon haar niet redden. Dat begreep ik wel.
Ik kon haar pijn niet voor haar verwerken. Ik kon alleen stoppen met haar pijn te dragen. ... Misschien raakt dat van die mitochondriën me daarom zo. Mijn lichaam komt uit het lichaam van mijn moeder voort.
Haar geschiedenis stopte niet waar mijn leven begon. Ik draag haar met me mee. Letterlijk. In mijn cellen. Maar haar pijn hoef ik niet te dragen. Die is van haar. Jij bent mijn moeder. Ik ben jouw dochter. En jouw pijn is van jou.




Opmerkingen